Edwin Lucas
Gestalten
tegenover Achterberg (4)
[eerder gepubliceerd in Jaarboek Gerrit Achterberg,
aflevering 5]
Simon Vinkenoog (1928) ontdekte de poëzie van
Gerrit Achterberg toen hij zeventien was, in 1945. Hij raakte er zo bezeten
van, dat hij twintig jaar later nog schreef: ‘Zulk een ervaring is niet onder
woorden te brengen, de ander wordt een tweede stel zintuigen, een dubbele
onderhuid.’ In 1950 maakte hij persoonlijk kennis met Achterberg, toen deze -
met Cathrien - een dag of tien bij hem in Parijs logeerde. Kort daarop stelde
Vinkenoog zijn roemruchte bloemlezing Atonaal
(1951) samen, de eerste collectieve manifestatie van de
Beweging van Vijftig. In de inleiding noemt hij Achterberg ‘de Prins der
dichters’ en een wegbereider van de experimentelen.
Eind 1963 baarde
Vinkenoog opzien toen hij na de tv-documentaire ‘Literaire ontmoetingen’ publiekelijk
het taboe rond Achterberg doorbrak.
Bewustzijnsverruimer,
mediator, archivaris. Werelddienaar in netwerken. Profeet. Chroniqueur van de
andere wereld, moderne Sjamaan. Leidsepleintijger. Drijvende kracht (achter
‘Poëzie in Carré’, het eerste grote poëziefestival van Nederland, 1966). Sinds
enige tijd ook: volkstuinier.
Epitheta
te over voor Simon Vinkenoog. Daar kon Dichter
des Vaderlands ook nog wel bij, al was het dan ad interim. Maar ruim
twee weken na de verkiezing van Driek van Wissen tot de Nederlandse poet laureate is Simon Vinkenoog blij
dat hij ontslagen is van de taak waarvan hij zich bijna een jaar lang heeft
gekweten. In zijn met boeken, papieren, knipsels, beeldende kunst en Oosterse
voorwerpen volgepakte bovenwoning in Amsterdam blijft hij onvermoeibaar de
actualiteit volgen, maar gelukkig zonder dat hij er nog in
gelegenheidsgedichten verslag van hoeft te doen.
Let wel: er gaat geen
dag voorbij of hij schrijft en publiceert. In ‘Kersvers’, zijn weblog op
www.simonvinkenoog.nl, schotelt hij de lezer elke dag voor wat hij heeft
gedacht, gezien en gehoord. Die observaties doorspekt hij met herinneringen en
citaten uit boeken die hij las of leest. ‘Ik heb nu eenmaal iets van een
verzamelaar in me, iets bibliografisch’, zegt hij. In 2004 verscheen bij
uitgeverij Passage Goede raad is vuur,
een bloemlezing uit werk van dichters die hij bewondert, vergezeld van
gepassioneerde interpretaties en filosofische beschouwingen. Achterberg staat
er ook in, met ‘Gebed aan het vuur’.
De gedichten die
Vinkenoog tussen januari 2004 en februari 2005 schreef als dichter des
vaderlands, heeft hij verzameld in een hoekje op zijn website, voorafgegaan
door een motto van Goethe: ‘Alle meine
Gedichte sind Gelegenheitsgedichte; sie sind durch die Wirklichkeit angeregt
und haben darin Grund und Boden. Von Gedichten, aus der Luft gegriffen, halte
ich nichts.’
Een kortere versie van dit citaat
(‘Es müssen alle Gelegenheitsgedichte sein’) kreeg hij in oktober 1950 van
Gerrit Achterberg, toen die bij hem in Parijs logeerde. Vinkenoog werkte daar
toen bij de Unesco als ‘special request documents officer’. ‘Kijk,’ zegt hij,
terwijl hij de laatstverschenen druk van Wim Hazeu’s biografie op tafel legt.
Op het omslag staat een foto van Achterberg onder de Arc de Triomphe. ‘Die foto
heb ik gemaakt. Ja ja, ik was erbij.’
Hij formuleert, met zijn
unieke, hoge stemgeluid, tastend en zoekend. Maar welk onderwerp hij ook
aanroert, hij doet het intens, geëngageerd, authentiek. Altijd nieuwsgierig naar wat de wereld te bieden heeft,
citeert hij met evenveel gemak uit de krant van vandaag als uit Krishnamurti,
de Talmoed of Tagore. Hij leeft gretig in het heden, staat open voor alle
nieuwe ontwikkelingen. ‘Popelend’ is een uitdrukking die hij vaak gebruikt, of
‘ik ben in voortdurende beweging’. Maar hij mag ook graag terugkijken naar wat
hij heeft meegemaakt. En dat is veel. Soms laat hij dan een kleine stilte
vallen. Of hij sluit een niet altijd even navolgbare gedachtegang af met een
lachje, een relativerend ‘ach ja’.
Ter
voorbereiding op het gesprek wilde hij dichtbundels van Achterberg herlezen,
maar hij heeft ze zo gauw niet kunnen vinden. Alleen een eerste druk van En Jezus schreef in ’t zand is tevoorschijn
gekomen. Er moet dan ook, vindt hij, nodig orde op zaken worden gesteld in zijn
woning (‘Opruimen is ’t leukste wat er is. Overal
stapeltjes! En elk stapeltje heeft multi-betekenis’). Overtuigd aanhanger van de chaos-theorie die hij is, maakt hij daarmee ook
weer niet al te veel haast. Anderzijds is hij wel weer zo veel systematicus dat
het gesprek pas mag beginnen nadat echtgenote Edith de koffie heeft
gebracht (‘Wacht, wacht op de
koffie’).
Op 3 oktober 1950, toen
Simon Vinkenoog Achterberg om zes uur ’s avonds afhaalde op het Gare du Nord,
zwaaiend met een exemplaar van zijn eenmanstijdschriftje Blurb als herkenningsteken, was hij 22. Nu is hij 76. Maar vóór mij
zit iemand die eigenlijk eerder jong is dan oud, of preciezer gezegd: hier zit
iemand die bestand is tegen veroudering. ‘Ik voel mezelf
van alle generaties’, zegt hij. ‘Terwijl je ook mensen hebt die op een gegeven
moment echt niet meer enthousiast zijn voor wat ze doen. Mensen die al oud zijn
op hun dertigste, veertigste. Ach, ach.’
De
logeerpartij van Gerrit en Cathrien in Parijs, in Vinkenoogs appartement aan de
Boulevard Jean Jaurès, kwam tot stand door bemiddeling van Daisy Wolthers, de
secretaresse van Bert Bakker. Ze vond dat Achterberg er maar eens uit moest.
‘Als het doorgaat, zal het dé ervaring van mijn leven zijn al moet ik
natuurlijk zorg dragen dat ik hem niet afschrik door mijn eerbied’, schreef Vinkenoog, vol verwachting, vanuit Nederland aan
zijn toenmalige vrouw Juc Cohen in Parijs.
- Wérd het de ervaring van uw leven?
‘Nou nee. Hij heeft bij me gelogeerd, maar ik
ben niks wijzer over hem geworden. Absoluut geen stéék wijzer. Hij had een
soort Berlijnse muur om zich heen. En daar kwam bij: zijn vrouw hield hem
volkomen uit de wind. Ik probeerde wel eens een diepgaander gesprek te
beginnen, vaak bij een glaasje wijn. Ja, óók over wat er in het verleden
gebeurd was. Waarop Cathrien tussenbeide kwam, echt onverbiddelijk: nee nee, nu wordt het bedtijd!’
- Je zou verwachten dat er veel over poëzie werd
gepraat. Temeer omdat vaak wordt verteld dat Achterberg in persoonlijke
ontmoetingen altijd over gedichten begon.
‘Hij heeft me wel eens verteld dat-ie met een
gedicht bezig was, en hij droeg daar, uit zijn hoofd, de eerste acht regels uit
voor. Ik weet niet meer welk gedicht dat was. Misschien dat het nog na te gaan
is. Wat niet goed is, is niet geschreven, voegde hij eraan toe. Dat stond
trouwens ook onder elke brief die ik van hem kreeg.’
De echtparen gingen gezamenlijk op stap en deden
de bekende toeristische dingen: de Arc de Triomphe, de boekenstalletjes langs
de Seine. ‘Ze waren twee logés uit velen, een bezoek dat zich in niets
onderscheidde van andere’, schreef Vinkenoog er later over, in het In memoriam
Achterberg-nummer van De gids, maart
1962. ‘Ik heb níets genoteerd, geen geniale inval, geen herinnering aan een
opzienbare ontdekking.’
Nu voegt hij eraan
toe: ‘Het was eigenlijk een heel gedoe om ze bezig te houden. Het waren toch
provinciale mensen, Amsterdam vonden ze al een grote stad. We hebben gebabbeld,
maar niets staat me meer bij. We waren zeker niet zwijgzaam, we praatten over
ditjes en datjes, we kwamen in cafeetjes terecht: tegenover mijn huis, en in
Montparnasse, Select, in Saint-Germain des Prés, Royal Saint-Germain.’
Op
7 oktober begaf het gezelschap zich op minder veilig terrein: een
tentoonstelling van psychopathologische kunst in het Saint-Annehospitaal. Die
expositie hoorde bij een groot, internationaal psychiatriecongres. Vinkenoog:
‘Dat interesseerde mij enorm. Ik las Norman Mailer, ik had - en heb - iets met
absurde, vreemde dingen, met art brut,
Artaud, het surrealisme, dat is daarvan ook doordrenkt. In een grote hal hing
een brief van tientallen meters lang, in velletjes aan elkaar geplakt,
prachtig, het was uiteraard gemaakt door een waanzinnige.’
- Voor Achterberg met zijn psychiatrisch
verleden zal dat confronterend geweest zijn. Liet hij merken wat hij ervan
vond?
‘Het moet hem getroffen hebben. Maar ik weet het
niet meer. Ook niet wiens idee het was om hierheen te gaan. Hij leek wel
autistisch, zo geïsoleerd was hij; helemaal met zichzelf bezig. Er was me ook
van te voren gewaarschuwd: pas op, pas op, ga zorgvuldig met hem om.’
- Wist u op dat moment wat er in zijn leven was
gebeurd?
‘Vaag, vaag. Ik wilde daar eigenlijk alles van
weten. Het hoe, het hoe precies, het wanneer, het wat. Want dat wist ik
allemaal niet.’
- Maar er werd niet over gepraat.
‘Oei, nee! Altijd die muur die om ‘m heen stond.
Maar ik merkte wel, als hij het al over zijn gedichten had, dat er altijd iets
in zat van... ai, schuldgevoel.’
Tijdens het bezoek van Achterberg schreef
Vinkenoog het gedicht ‘Zondag’. Hij droeg het aan Achterberg op en bundelde het
in zijn debuut Wondkoorts, dat nog in
hetzelfde jaar 1950 zou verschijnen in de
reeks De Windroos, onder redactie van Ad den Besten.
Zondag
zesmaal
de reis om het vers
in
evenveel dagen
wakkerworden
en de pijn
niet
langer kunnen verdragen
zandloper
woestijn
leeg
- het glas gebroken
rijmpijn
woordenwijn
vrij
van de rust der zondagen
te
zijn
en
voortijds op jacht
naar
het voorlaatste woord
geen
letter gelezen
geen
bede verhoord
Het bezoek werd geen succes, dat is ook in deze
tekst nog terug te zien. Groter kon het verschil tussen beide dichters dan ook
eigenlijk niet zijn: de boerenzoon van het Utrechtse platteland versus het
Amsterdamse straatjongetje, zoals Vinkenoog zichzelf typeert. Daar kwam een leeftijdsverschil van 23 jaar bij. En
dan nog dit: ‘Ik ben niet godsdienstig opgevoed. Maar ik merkte dat Gerrit, en
Cathrien ook, vanaf hun jeugd in een soort conditionering terecht waren
gekomen. Hij was vol zonde opgegroeid, terwijl ik niet weet wat zonde was, is,
en zal zijn. Ik probeer zo onschuldig te blijven als het maar kan. Dat moest
natuurlijk wel botsen.’
Twee maanden later, in december 1950, waren
Remco Campert, Lucebert en Rudy Kousbroek bij Vinkenoog te gast. Dat was de
voltallige redactie van Braak, het
blad waarin de jonge, zogezegd experimentele dichters zich manifesteerden.
Prachtige foto’s in het door Vinkenoog in 1965 samengestelde
Schrijversprentenboek De Beweging van
Vijftig laten zien hoe volstrekt anders dít soort logeerpartijen verliepen.
Achterberg
had overigens wel iets te melden over die experimentele jongens. In Parijs zei
hij tegen Vinkenoog - in een van de schaarse momenten dat er wél iets
opmerkelijks werd gezegd - dat hij de gedichten van de experimentelen van
achteren naar voren las. Dat getuigt, als het al niet ironisch was bedoeld,
niet direct van veel begrip voor de nieuwe poëzie. Omgekeerd bestond die
waardering wel. In het voorjaar van 1951, toen Vinkenoog de inleiding op papier
zette voor de bloemlezing Atonaal,
typeerde hij Achterberg min of meer als wegbereider van de jonge
dichtersgeneratie. ‘De eerste jaren na het beëindigen van de
krijgsverrichtingen’ schreef hij, ‘brachten weinig of geen poëzie van jongeren,
die herhaalde lezing waard was. Weliswaar werd er veel gepubliceerd, maar dit
werk opende, evenals dat van de ouderen die door bleven publiceren, geen nieuwe
perspectieven. De enige uitzondering is waarschijnlijk Gerrit Achterberg die
gedurende de oorlog een persoonlijke vorm had gevonden en als Prins der
dichters kon worden beschouwd.’ Op 12 mei 1951 voegde hij daar in de NRC aan toe dat een hele generatie
schrijvers van vlak voor of in de oorlog had afgedaan; ‘alleen een
persoonlijkheid als Achterberg hervond zichzelf’.
In dit soort
formuleringen is de grote eerbied te zien die Vinkenoog voor Achterberg had,
sinds hij diens werk in 1945 leerde kennen. Of de andere dichters uit de
Beweging van Vijftig die waardering even hartgrondig deelden, is onduidelijk.
Andreus en Lucebert bewonderden Achterberg, zo veel is zeker. Van Paul Rodenko
is bekend dat hij Achterberg als dé schakel zag tussen de oude en de nieuwe
poëzie. Maar in het ‘spontane complot van subjectieve instellingen’, zoals
Redbad Fokkema de Beweging van Vijftig heeft getypeerd, zal men er op z’n minst
wisselend over hebben gedacht. Gerrit Kouwenaar schreef in 1955, in de
inleiding tot Vijf 5tigers, die
andere beroemd geworden bloemlezing, dat de poëzie van de Vijftigers in het
Nederlandse taalgebied geen voorgeschiedenis heeft die in een traditie wortelt,
en dat ‘zelfs een dichter als Achterberg’ niet als onmiddellijke wegbereider
beschouwd kon worden, anders dan Franse dichters als Artaud, Michaux en Eluard.
Vinkenoog:
‘Ik weet nog dat Gerrit Kouwenaar op een gegeven moment tegen me zei: speak for yourself. Of Achterberg voor
de anderen ook belangrijk was, weet ik eigenlijk niet. We gingen toch ook al
gauw allemaal onze eigen kant op. Ik ben ook altijd mijn eigen weg gegaan, ik
wilde al snel van elk wij-gevoel af.’
Waar kwam de grote bewondering van Vinkenoog
voor Achterberg eigenlijk vandaan? Uit het In memoriam-nummer van De gids lees ik hem een fragment uit
zijn eigen bijdrage voor: ‘Volledig in hem opgegaan, wèg van hem, hèm. (Ik heb
dit later nog maar twee keer opnieuw, met alle ellende van dien, ervaren: bij
Antonin Artaud en Samuel Beckett.)’
Vinkenoog: ‘Het moet
in 1943, 1944 geweest zijn... Ik snuffelde naar de laatste boeken die er nog
waren. Het was armoede, alle papier was op. Flinterdunne bundeltjes waren het,
bundeltjes met zwaantjes, uiltjes op het omslag. En onverkochte bloemlezingen.
Die vond ik in boekenstalletjes op de markt, of ik nam ze mee uit de
uitleenbibliotheek in de Daniël Stalpertstraat waar ik toen werkte. En daar
was, tussen allemaal dingen die me niets zeiden, opeens... ja! Een man die echt
op de grens van leven en dood bezig was.’
In de jaren na de
oorlog, tussen 1945 en 1948, ging Vinkenoog intensief om met twee vrienden,
Niels Augustin, die onlangs is overleden, en Karel Grazell, die publiceerde
onder de naam Leins Janema. ‘We kwamen vaak samen met anderen op het Leidseplein,
we praatten, we zaten bij elkaar.’ Vooral met Grazell deelde Vinkenoog een intense
bewondering voor Achterberg. ‘Maandenlang doolden wij rond in een
droomtoestand,’ schreef hij in 1962, ‘gezamenlijk en apart gedichten
schrijvend, een denkbeeldige persoon aansprekend met “u”.’
-
Waarom kwam de poëzie van Achterberg zo hard aan? Kunt u dat nog achterhalen?
Er valt een stilte. ‘Ik heb eigenlijk nu pas de
leeftijd om te begrijpen waarom me dat toen al interesseerde.’ (Weer stilte.)
‘De dood, het verdwijnen... Ik heb daar later ook wel over geschreven, in Niet niets, mijn boekje over de dood,
uit 1974. Ik had mijn beste vriendje weggevoerd zien worden, Helmut.
Eigenlijk... eigenlijk moet ik van die hele oorlog nog voortdurend distantie
nemen.’
Over zijn oorlogservaringen schreef en vertelde
Vinkenoog bij vele gelegenheden. In mei 1940 viel één verdwaalde bom op de
binnenstad van Amsterdam, op de hoek van de Blauwburgwal en de Herengracht; die
bom doodde - onder anderen - Berend Vinkenoog, zijn oom, een zeeman. In 1944
werd Simon in Amsterdam aangehouden door een Duitse patrouille; hij wist zich
ternauwernood te redden. Helmut was Helmut Blumenthal, zijn buurjongetje en
beste vriend, in de jaren dertig met zijn ouders en broers uit Duitsland
gevlucht voor de jodenvervolging. Bij luchtalarm schuilde Simon vaak bij deze familie,
onder de trap in de Govert Flinckstraat.
Op een dag in 1942
werd het gezin Blumenthal weggehaald. ‘Een
grüne Polizist op de stoep met een geweer in de aanslag,’ schreef Vinkenoog nog
in 2004, ‘en zij kwamen één voor één het tiental treden van de beletage af en
verlieten de straat, gepakt en gezakt - op de hoek bij de Eerste van der
Helststraat stond een open vrachtwagen waar zij in moesten stappen. Verbijsterd
hadden mijn moeder en ik het zien gebeuren, vanachter de vitrage gadegeslagen.’
De
ontdekking van de poëzie van Achterberg, de poëzie op de grens van leven en
dood, van verdwijnen en verlies, is voor Vinkenoog verbonden met die
oorlogservaringen. Hij wijdt er verder niet veel woorden aan. In plaats daarvan
pakt hij, zwijgend, mijn exemplaar van De gids, maart 1962, van tafel. Op de eerste bladzijde staat
Achterbergs gedicht ‘Medusa’. Onverwacht leest hij het voor; indrukwekkend,
hard en duidelijk, woord voor woord articulerend:
Ogen,
die in mij rusten,
ben
ik doel.
Aan
het onderbewuste
onttrekken
zij de resten
ziel
en gevoel
opdat
zich gans en al
de
leden zullen sluiten.
Maar
ik kan nog niet buiten
dit
laatste voedsel
voor
vers en wil.
In de stilte die volgt, alleen verstoord door
straatgeluiden en het bellen van de tram, maakt hij op zijn kleine
kopieermachine een fotokopie van zijn eigen In memoriam-artikel uit 1962.
Terwijl het apparaat zijn werk doet, staart hij zwijgend naar buiten over de
Amstel. Minutenlang blijft het stil. Dan: ‘Ja, ik was dat nummer van De gids ook kwijt. Ach, leuk. Leuk om
weer te lezen wat ik toen heb geschreven. Het zijn toch nog wel een paar
pagina’s, dus.’
- U schreef zelf poëzie, in en vlak na de
oorlog. Is het, als je zo bezeten bent van andermans werk, dan niet moeilijk om
Achterberg uit je hoofd te krijgen?
‘Ja. Ik heb al mijn vroegste werk op een gegeven
moment dan ook in de kachel gegooid. Dat moet een echt autodafé zijn geweest.
Ik heb nooit meer gedichten teruggevonden van vóór het moment dat ik ze ging
publiceren. Alles wat ik had toen ik na acht jaar uit Parijs terug naar
Nederland kwam, heb ik aan het Letterkundig Museum gegeven. Alleen sommige
dingen die ik heel eigen vind, die sleep ik nog steeds met me mee.’
Na de bevrijding stortte de generatie van
Vinkenoog zich, popelend van verlangen, in het nieuwe, ‘de ruimte van het
volledig leven’. Vinkenoog: ‘Rodenko zei toen vaak: er is een nieuwe toon. En
daarom dacht ik: kom, ik noem mijn bloemlezing Atonaal. Ik maakte kennis met Amerikaanse schrijvers, ik leerde het
werk van Koszinsky kennen, Alban Berg, Wozzeck,
Schönberg.’
In
1948 vertrok Vinkenoog naar Parijs. In april
1950 begon hij daarvandaan zijn tijdschrift Blurb
de wereld in te sturen: 141 mensen
kregen het kosteloos in hun brievenbus. Er zouden acht nummers verschijnen.
Stond Achterberg ook op de verzendlijst? ‘Ik weet ‘t niet meer. Wel heb
ik door Blurb ontzettend veel mensen
leren kennen’, zegt hij. ‘’t Was een steen in de vijver: kijk, kijk mensen,
hier ben ik.’ Het blad werd in 1951 alweer
opgeheven wegens ‘een teveel aan tijdrovende belangstelling’.
De waardering die
Vinkenoog in de inleiding van Atonaal
voor Achterberg laat zien, maakt een paar jaar later plaats voor een kritische
benadering die je, tegen de achtergrond van de bekroningen die Achterberg juist
dan ten deel vallen (P.C. Hooftprijs 1949, Poëzieprijs van de
gemeente Amsterdam 1950), ook ‘atonaal’ zou kunnen noemen. Zo schrijft
Vinkenoog in de rubriek ‘Gast vandaag’ in Het parool van 16 december 1953 onder de
titel ‘De dichter van heden’ dat het werk van Lucebert ‘honderd keer zo
belangrijk is als dat van de zozeer overschatte Achterberg’. Die
tegenstrijdigheid met de Atonaal-inleiding
valt onder anderen Remco Campert op, die hem in een brief, en overigens niet
voor ’t eerst, kapittelt over ‘domme uitlatingen’.
Vinkenoog verdedigt in het Amsterdams tijdschrift voor letterkunde van
maart 1954 zijn standpunt. Hij maakt vooral bezwaar tegen Achterbergs ‘lafheid
van het sonnetten-schrijven’. Het sonnet, de dichtvorm die Achterberg sinds een
paar jaar uitsluitend beoefent, noemt hij een vorm die ‘uit de tijd raakte, die
zelfs geen Achterberg meer tot nieuw leven kan wekken al geef ik graag toe dat
de sonnetten die hij schrijft, heel mooi zijn. Maar poëzie is in mijn ogen toch
meer dan alleen maar “heel mooi”.’ Hij voegt eraan toe dat Achterberg ‘in zijn
bezetenheid niet weet waaraan hij toe is, omdat bijna niemand hem openlijk op
de gevaren van het doodlopen durft wijzen’. En: ‘dat men hem ontziet, is een schande, om te huilen
van ellende.’
- Dit was nogal een ommezwaai. De Prins der
dichters, schreef u eerder. En dan niet lang daarna dat hij overschat is,
doodloopt en dat niemand dat ziet.
‘Ja, ik heb daar met Remco een flinke aanvaring
over gehad. Gelukkig zijn we over dat soort botsingen wel heengekomen. En
verder: heilige huisjes waren er om omvergegooid te worden. Dat heb ik altijd
gevonden. Ook in die tijd. Lucebert schreef in die jaren dat anti-sonnet, ‘ik
mij ik mij’, ik heb het ook nog opgenomen in mijn boekje Goede raad is vuur. Pas later is sonnetten maken weer helemaal mode
geworden. Jan Kal is, als ik het wel heb, nu al aan sonnet nummer elfhonderd
bezig. Of kijk naar Jean-Pierre Rawie.’
Vinkenoogs ongezouten kritiek op Achterberg
getuigt eigenlijk van een intense betrokkenheid. En al verloor hij Achterberg
zelf uit het oog, die betrokkenheid bleef bestaan, tot op de dag van vandaag.
Tot zijn spijt heeft hij het gemerkt: ‘Sommige mensen zijn de laatste tijd heel
lelijk over hem gaan schrijven. En dat deed me pijn.’ (Na een diepe zucht:)
‘Kijk... Jan Arends. Een ellendeling, maar prachtige gedichten. Die kritiek is
zo gemakkelijk.’
De
betrokkenheid had weinig met persoonlijke verwantschap of genegenheid te maken.
Toen Achterberg, na een mislukte vakantie met Ed. Hoornik in Frankrijk, in de
zomer van 1952 opnieuw bij Vinkenoog in Parijs op bezoek kwam, verliep die
tweede logeerpartij zo mogelijk nog stroever dan de eerste. Aan Jan Hanlo
schreef Vinkenoog hierover: ‘Hij maakte mij huiverig voor het kennen van mensen
die, zoals U ouder zijn dan ik. Toen hij bij mij logeerde was hij nog ouder en
gaat gauw dood.’
Dat
laatste zou natuurlijk pas tien jaar later gebeuren. Vinkenoog zag Achterberg
tot die tijd niet meer. Laat staan dat een vriendschap groeide uit de beide
ontmoetingen. ‘Ik ging toch met hele andere mensen om,’ zegt hij nu. ‘Ik ben
eigenlijk altijd omgegaan met mensen die jonger waren.’ Lachend: ‘Mijn vrouwen
waren ook altijd jonger dan ikzelf.’
Bij Achterbergs
begrafenis, op 22 januari 1962 in Amersfoort, was hij dan ook niet aanwezig.
Twee maanden later noteerde hij in De gids,
ter nagedachtenis: ‘...ik wilde aan mijn gevoelens ten opzichte van Achterberg
uitdrukking geven, maar eenmaal begonnen, bleek het mij dat voor die gevoelens
geen woorden bestaan. Althans geen woorden die misverstanden zouden opheffen,
begrip wekken, ontroeren, verduidelijken. Ik hèb voor Achterberg geen woorden.’
Hij voegde eraan toe dat Achterbergs poëzie ‘zijn vorm nooit heeft kunnen
vinden. Een verloren leegte, waar op een verschrikkelijk ogenblik alleen nog
het sonnet in paste, omdat te veel woorden de daad hadden ongedaan gemaakt; het
wapen van de dichter had zich tegen de dichter gericht, als een boemerang van
taboes.’
Die laatste zin wijst vooruit naar wat anderhalf
jaar later zou gebeuren, toen het ‘taboe rond Achterberg’ publiekelijk werd ontmanteld.
Wat vrienden en bekenden allang wisten, kwam nu in de openbaarheid: Achterberg
had in 1937 zijn geliefde om het leven gebracht. Simon Vinkenoog zou bij die
openbaarmaking een sleutelrol spelen. Dat was na de uitzending van de
tv-documentaire ‘Literaire ontmoetingen’ van Ed. Hoornik en Hans Keller, in
november 1963.
Een half uur na afloop
van het programma startte Vinkenoog in Amsterdam zijn scooter, reed naar nachtclub
Sheherazade, beklom het podium en las voor een publiek van zo'n honderd
verblufte mensen het gedicht ‘Voor de t.v.’ voor, met als eerste regel: Gerrit Achterberg heeft een vrouw gedood.
Hij was verontwaardigd, schreef hij later, omdat er in de film alleen maar
gezinspeeld werd, en niets echt gezegd. Die boosheid kan hij anno 2005 nóg
voelen. Hij heeft ook nooit spijt van zijn actie gehad, al kwam Cathrien
Achterberg nog een paar maanden later huilend bij hem aan de deur. ‘Ik heb dat
gedicht geschreven en letterlijk de wereld in gegooid’, zegt hij nu. ‘Ik mocht
de grote taboedoorbreker zijn. Ik vond namelijk dat er weer zo ontzéttend
gelaveerd werd. Maar ik had, terwijl ik het deed, wél voortdurend de gedachte
dat hij het goed vond.’
- Dat Achterberg het goed vond?
‘Ja. Ja. Ik ben erop aangevallen, ik heb veel
kritiek gehad. Maar voor mijn gevoel wist ik dat hij blij was dat het er nu
eens eindelijk allemaal uit kwam, al was het dan post mortem. Dat heb ik later ook aan Cathrien geschreven, nadat ik
een briefje van ‘r kreeg.’
- Hoe wist u dat zo zeker? Achterberg was zijn
hele leven doodsbenauwd dat het openbaar zou worden.
‘Laat ik het dan zo zeggen: ik wilde hem van die
angst bevrijden. Ik heb een van mijn boeken Aan
het daglicht genoemd. Ik vind dat alles wat in het duister is, naar buiten
gebracht móet worden. Volgens de Talmoed moet je kiezen tussen vrede en
waarheid. Dat is een hele moeilijke, hè?’
- U koos voor de waarheid, niet voor de vrede.
Of beter gezegd: niet voor de lieve vrede.
‘Nee, de waarheid, ik heb daar eigenlijk altijd
wel voor gekozen. En toen begon Nico Scheepmaker in de Haagse Post te schrijven over wat er gebeurd was met Achterberg. In
allerlei veelgelezen regionale kranten kwam het te staan. Door sommigen werd ik
min of meer aan de schandpaal genageld.’
- Hoe belangrijk is Achterberg nu achteraf voor
u geweest?
‘Het waren, laat ik zeggen, existentiële
momenten. Ik ben hem altijd blijven noemen als een van degenen die erg veel
voor me hebben betekend.’
Dit is het vierde in een reeks interviews met schrijvers,
critici en essayisten die Achterberg persoonlijk hebben gekend. Eerder verschenen
gesprekken met A.L. Sötemann, Andries Middeldorp en Harry Mulisch, respectievelijk in Achterbergjaarboek 2, 3 en 4.